In de vorige twee delen schreef ik over de touwen in de gymzaal.
De docent gaf een mondelinge instructie. Voor mij was duidelijk wat ik moest doen: omhoogklimmen, het plafond aantikken en weer naar beneden.
Pas toen ik terug op het bankje zat, zag ik dat de anderen opnieuw naar boven klommen. Je moest het blijkbaar zo snel en zo vaak mogelijk doen. Dat deel had ik gemist.
Maar waarom bleef het ene deel wel hangen en het andere deel niet?
Misschien heeft dat te maken met de woorden waar ik wel en geen beeld van kon maken.
Het woord ‘jij’
Stel dat de docent zei:
“Jij klimt straks zo snel mogelijk omhoog.”
Bij het woord jij weet ik dat het over mij gaat. Misschien ontstaat er zelfs een beeld van mezelf, alsof ik voor een spiegel sta of mezelf van een afstand bekijk.
Ik ben degene die iets moet doen.
Dat deel is duidelijk.
Het woord ‘klimmen’
Bij klimmen krijg ik direct een beeld.
Ik zie mezelf bijvoorbeeld in een boom klimmen. Handen om een tak. Voeten zoeken naar houvast. Mijn lichaam gaat omhoog.
In de gymzaal hing geen boom, maar er hingen wel touwen. Mijn hoofd kon het bestaande beeld aanpassen aan wat ik voor me zag.
Klimmen werd klimmen in een touw.
Daar hoefde ik niet lang over na te denken.
Het woord ‘plafond’
Bij plafond kan eerst het plafond van onze woonkamer of mijn slaapkamer opkomen.
Maar de docent wees omhoog. Misschien keek ik daardoor zelf ook naar boven en zag ik het houten plafond van de gymzaal.
Het beeld werd meteen concreet.
Ik zag het touw.
Ik zag het plafond.
Ik wist dat ik omhoog moest.
Daarmee was er al een groot deel van een opdracht ontstaan.
Maar wat zie je bij ‘zo vaak mogelijk’?
Daar wordt het lastiger.
Wat voor beeld hoort bij:
zo snel mogelijk
opnieuw
zo vaak mogelijk
binnen een bepaalde tijd
Dat zijn geen voorwerpen waar je naar kunt kijken.
Bij opnieuw moet je begrijpen dat de handeling na het afdalen weer van voren af aan begint.
Bij zo vaak mogelijk moet je niet één klim zien, maar een reeks. Omhoog, omlaag, omhoog, omlaag.
Bij zo snel mogelijk moet je niet alleen begrijpen wat je doet, maar ook in welk tempo.
Bij binnen een bepaalde tijd moet je weten dat ergens een klok loopt en dat de opdracht pas stopt wanneer die tijd voorbij is.
Daarvoor is één plaatje niet genoeg.
Je hebt een filmpje nodig.
Misschien was mijn filmpje te kort
Het filmpje in mijn hoofd zag er waarschijnlijk ongeveer zo uit:
Ik pak het touw.
Ik klim omhoog.
Ik raak het plafond aan.
Ik zak naar beneden.
Ik ben klaar.
Dat filmpje klopte voor een deel.
Alleen stopte het te vroeg.
Er had nog iets achter moeten komen:
Ik begin opnieuw.
Ik klim weer omhoog.
Ik blijf dit zo snel mogelijk herhalen.
Ik stop wanneer de tijd voorbij is.
Die beelden stonden niet in mijn interne filmpje.
Ik weet niet of de docent die woorden heeft uitgesproken en ik ze niet goed heb verwerkt. Misschien was mijn aandacht al bij de touwen en het plafond. Misschien kon ik de woorden wel horen, maar hadden ze op dat moment te weinig betekenis.
Wat ik wel weet, is dat ik geen leeg stuk voelde.
Mijn filmpje eindigde gewoon bij beneden komen.
Luisterde ik nog wel naar de docent?
Misschien keek ik tijdens de uitleg al naar de touwen.
Dat kan van buitenaf op afleiding lijken. De docent praat en ik kijk ergens anders naar.
Maar misschien probeerde ik de uitleg juist te begrijpen.
Ik hoorde het woord plafond en keek naar boven. Ik hoorde klimmen en bekeek het touw. Mijn hoofd koppelde de woorden aan wat ik zag.
Alleen ging de docent ondertussen verder.
Terwijl ik het ene beeld aan het maken was, volgden alweer nieuwe woorden. Woorden over snelheid, tijd en herhaling.
Misschien liep mijn beeldvorming achter op de gesproken uitleg.
Of misschien kreeg het beeld zoveel aandacht dat de rest van de zin minder goed binnenkwam.
Concrete woorden krijgen meer gewicht
Mijn hoofd kan de concrete woorden daardoor zwaarder hebben laten wegen.
Touw was zichtbaar.
Plafond was zichtbaar.
Klimmen kon ik voor me zien en uitvoeren.
Zo vaak mogelijk was niet zichtbaar.
Binnen de tijd was niet zichtbaar.
Opnieuw bestond pas nadat de eerste klim klaar was.
Mijn brein maakte met de meest duidelijke onderdelen een logisch geheel.
Dat geheel was sterk genoeg om mee te kunnen handelen.
Is dat beelddenken?
Ik weet niet of iedereen met TOS een beelddenker is. Dat wil ik ook niet beweren.
Ik kijk nu naar mijn eigen ervaring.
Bij mij lijken beelden, patronen en wat ik in de ruimte zie veel houvast te geven. Tegelijk kan gesproken taal snel verdwijnen. Zeker wanneer een uitleg uit meerdere stappen, voorwaarden of abstracte begrippen bestaat.
De vraag is daarom niet alleen:
“Welke woorden hoorde ik?”
De vraag is ook:
“Welke beelden ontstonden er bij die woorden?”
En misschien nog belangrijker:
“Bij welke woorden ontstond helemaal niets?”
Geen onwil
Mijn hoofd probeerde de opdracht niet eenvoudiger te maken omdat ik geen zin had.
Ik besloot ook niet om een deel van de uitleg te negeren.
Met wat wel binnenkwam, bouwde mijn brein een uitvoerbaar plan.
Dat is ergens ook een kracht. Ik kon snel een situatie bekijken, er betekenis aan geven en in actie komen.
Het probleem zat in het deel dat ontbrak.
Niet alleen in mijn beeld, maar ook in mijn besef dat mijn beeld nog niet volledig was.
Mijn vraag aan jou
Van welke woorden maak jij, je kind, leerling of cliënt direct een beeld?
En welke woorden blijven leeg of vaag?
Denk bijvoorbeeld aan:
totdat
opnieuw
straks
ondertussen
behalve
zo snel mogelijk
Misschien wordt een opdracht pas echt duidelijk wanneer we niet alleen vragen wat iemand heeft gehoord, maar ook wat iemand voor zich ziet.




25 jaar geleden hoorde ik over beelddenken. Veel herkenning maar toch niet voor de 100%. Er knaagde altijd iets. Beelddenken en TOS zijn voor mij niet het zelfde. Er is overlap maar verder toch ook heel verschillend
Ik gebruik beelden in mijn hoofd en beweging (bijv. Met mijn handen of ik beeld iets uit met mijn handen) om op een woord te komen.
Maar ik hoor meestal taal in mijn hoofd als ik iets denk, vooral over abstracte dingen of overleg met mezelf. Beelden zijn meer voor namen van herkenbare dingen, dingen uit de werkelijke wereld.
Dat zijn altijd vage beelden.
Ik heb een een richtingsweg in mijn hoofd. Alles komt goed binnen vooral beelden (minder taal) maar als ik iets MOET vertellen is mijn hoofd letterlijk blanco, geen beeld geen taal.
Informatie kan ik beter opnemen door te lezen of te kijken. Bij het luisteren kan ik namen , tijden, plaatsen vooral abstracte dingen minder goed onthouden.