Vorige week schreef ik over de touwen in de gymzaal.
De docent gaf uitleg. Ik zag vier dikke touwen, groene matten en het houten plafond. In mijn hoofd was de opdracht duidelijk: omhoogklimmen, het plafond aanraken en weer naar beneden.
Dat deed ik.
Met veel moeite raakte ik het plafond aan. Ik liet mezelf rustig zakken, kwam met mijn voeten op de mat en liep trots terug naar het bankje.
Daar zag ik dat de anderen nog steeds bezig waren.
Een jongen kwam naar beneden, raakte de mat en klom meteen opnieuw omhoog. Toen pas begreep ik dat we zo snel en zo vaak mogelijk het plafond moesten aanraken.
Dat hele deel van de opdracht had ik gemist. Mijn trots sloeg om in schaamte.
Ik wist niet dat ik iets niet wist
Dat vind ik achteraf misschien nog wel het opvallendste.
Tijdens de uitleg voelde ik geen twijfel. Ik dacht niet: volgens mij mis ik een deel. Ik dacht ook niet: laat ik eerst even kijken wat de anderen doen.
Voor mij was de opdracht rond.
Touw. Klimmen. Plafond aantikken. Weer naar beneden.
Daar zat geen zichtbaar gat tussen. Mijn hoofd gaf mij geen waarschuwing dat er nog informatie ontbrak.
Pas toen ik op het bankje zat en naar de anderen keek, botste mijn beeld met wat er werkelijk van ons werd gevraagd.
Tot dat moment bestonden er voor mij geen twee mogelijke opdrachten. Er was maar één opdracht. De opdracht die in mijn hoofd was ontstaan.
Welke woorden kwamen bij mij binnen?
Ik weet niet meer wat de docent precies heeft gezegd. Die woorden zijn weg. Wat ik nog wel voor me zie, zijn de touwen, de matten, het bankje en de muren van de gymzaal.
Misschien bleven vooral de woorden hangen waar ik een duidelijk beeld van kon maken.
Bij het woord klimmen zie ik mezelf ergens omhooggaan. Misschien eerst in een boom. Daarna past mijn hoofd dat beeld aan op wat ik voor me zie: de touwen in de gymzaal.
Bij plafond zie ik iets boven mij. Ik kan omhoogkijken en het plafond van de gymzaal zien.
Maar wat zie je bij:
zo snel mogelijk
opnieuw
zo vaak mogelijk
binnen een bepaalde tijd
Dat zijn geen losse plaatjes. Daarvoor moet je een langere film maken. Je moet begrijpen dat je na het afdalen weer opnieuw begint. Je moet snelheid koppelen aan de uitvoering. Je moet weten dat er ergens een tijd loopt en dat je pas stopt wanneer die tijd voorbij is.
Misschien is juist dat deel niet goed in mijn beeld terechtgekomen.
Mijn hoofd maakte de opdracht zelf af
Mijn hoofd had wel genoeg informatie om iets van de uitleg te maken.
Ik zag een touw. Ik zag het plafond. De docent wees omhoog. Ik wist wat klimmen was.
Daarmee kon ik een logische opdracht bouwen.
Omhoog. Plafond aanraken. Naar beneden. Klaar.
Dat was geen bewuste gok. Ik koos niet uit verschillende mogelijkheden. Mijn hoofd maakte met de informatie die wel binnenkwam één geheel.
Dat geheel voelde volledig.
Misschien werkt het vaker zo bij TOS. Een deel van de gesproken informatie komt binnen. Een ander deel wordt minder goed verwerkt. Het hoofd gebruikt vervolgens de omgeving, eerdere ervaringen en eigen logica om de ontbrekende stukken in te vullen.
Het resultaat kan heel overtuigend voelen.
Daarom zegt ‘heb je het begrepen?’ zo weinig
Stel dat de docent mij voor het klimmen had gevraagd:
“Heb je het begrepen?”
Dan had ik waarschijnlijk ja gezegd.
Niet om mijn onzekerheid te verbergen. Niet omdat ik van de uitleg af wilde zijn. Ik dacht oprecht dat ik wist wat ik moest doen.
De vraag controleert alleen of iemand zelf het gevoel heeft dat de uitleg duidelijk is. De vraag laat niet zien wat er precies in het hoofd is ontstaan.
Een andere vraag had misschien meer duidelijk gemaakt:
“Wat ga je zo doen?”
Dan had ik kunnen zeggen:
“Ik klim omhoog, raak het plafond aan en kom weer naar beneden.”
De docent had dan vóór de opdracht kunnen horen dat snelheid en herhaling in mijn beeld ontbraken.
Dat had mij mogelijk de verwarring en schaamte op het bankje bespaard.
Mijn vraag
Daarom blijf ik bij deze stelling:
Iemand met TOS kan een deel van gesproken informatie missen zonder het missen zelf te ervaren. Het hoofd maakt met wat wel binnenkomt een logisch geheel. Dat geheel kan volledig voelen, terwijl een belangrijk deel van de betekenis ontbreekt.
Ik weet nog niet of dit voor meer mensen met TOS zo werkt. Het is mijn ervaring en een mogelijke verklaring die ik verder wil onderzoeken.
Herken je dit?
Dat jij, je kind, leerling of cliënt zeker wist wat de bedoeling was, maar tijdens of na de uitvoering ontdekte dat er toch iets ontbrak?
En wat gebeurde er toen iemand vroeg: “Heb je het begrepen?” Was het antwoord op dat moment ook echt ja?



