Als kind en puber kon ik tijdens het avondeten moeilijk blijven zitten.
Mijn bord was leeg, maar mijn vader zat nog rustig te eten. Hij deed daar veel langer over dan ik. Ik moest wachten tot iedereen klaar was en voelde steeds meer onrust in mijn lichaam.
Soms stond ik op en liep ik een rondje om mijn stoel. Daarna ging ik weer zitten. Even later gebeurde hetzelfde opnieuw.
Ik wist zelf ook wel dat dit vreemd kon overkomen. Toch lukte het mij op zo’n moment niet om gewoon rustig te blijven zitten.
Lange tijd zag ik dit vooral als ongeduld. Misschien was ik gewoon druk of snel verveeld.
Nu vraag ik mij af of die onrust werkelijk pas aan tafel begon.
De hele dag luisteren
Op school was ik voortdurend bezig met taal.
De leerkracht gaf uitleg. Ik moest opdrachten begrijpen, vragen beantwoorden en onthouden wat ik daarna moest doen. Ook tijdens de pauzes en gesprekken met andere kinderen moest ik volgen wat er werd gezegd.
Dat lijkt vanzelf te gaan, maar bij mij ging het dat niet.
Ik miste regelmatig delen van een uitleg zonder dat ik dat op dat moment doorhad. Mijn hoofd probeerde van de woorden die wel binnenkwamen een logisch geheel te maken.
Zoals bij de touwen in de gymzaal.
Ik dacht precies te weten wat de opdracht was. Ik klom naar boven, raakte het plafond aan en ging weer naar beneden. Pas toen ik terug op het bankje zat, zag ik dat de andere jongens opnieuw omhooggingen.
De verwarring ontstond dus niet tijdens de uitleg.
Ook niet tijdens het klimmen.
Die kwam pas daarna.
Misschien stapelde het zich op
De touwopdracht was één duidelijk moment waarop mijn beeld niet overeenkwam met wat er werkelijk werd gevraagd.
Op een gewone schooldag gebeurde zoiets waarschijnlijk veel vaker, maar dan in kleinere situaties.
Een deel van een instructie missen.
Niet begrijpen waarom iemand ineens boos reageert.
Een grap te laat begrijpen.
Denken dat je klaar bent, terwijl je nog iets had moeten doen.
Een vraag krijgen waarop je het antwoord wel weet, maar de woorden niet snel genoeg kunt vinden.
Op zichzelf lijkt ieder moment misschien klein.
Maar wanneer dit de hele dag gebeurt, vraagt dat veel van je hoofd.
Je moet steeds opnieuw proberen te begrijpen wat er wordt bedoeld. Je moet herstellen wanneer blijkt dat je iets anders hebt begrepen. Je moet opletten hoe de anderen reageren en daaruit afleiden wat je zelf misschien hebt gemist.
Misschien merkte ik die inspanning overdag niet eens bewust.
Ik deed gewoon wat nodig was.
Thuis hoefde ik minder op te letten
Aan tafel hoefde ik geen opdrachten meer uit te voeren. Er stond geen leerkracht voor de klas en ik hoefde niet voortdurend te controleren of ik alles goed begreep.
Mijn bord was leeg.
Ik was klaar.
Maar ik moest blijven zitten omdat de anderen nog aten.
Misschien kwam juist op dat moment de onrust naar buiten die zich eerder op de dag had opgebouwd.
Mijn hoofd hoefde niet meer zo hard te werken om alles te volgen. Mijn lichaam kreeg daardoor eindelijk ruimte om te laten zien hoeveel spanning er nog zat.
Ik liep een rondje om mijn stoel.
Niet omdat ik mijn ouders bewust wilde irriteren.
Niet omdat ik niet wist dat ik moest blijven zitten.
Ik wist het wel, maar mijn lichaam wilde bewegen.
De onrust zat niet alleen in mijn hoofd
Onrust voelt niet altijd als een gedachte.
Ik dacht niet: ik heb vandaag te veel taal moeten verwerken en daarom moet ik nu bewegen.
Ik voelde vooral dat stilzitten steeds moeilijker werd.
Mijn benen wilden iets doen. Mijn lichaam voelde vol. Door even op te staan en een rondje te lopen, zakte dat gevoel misschien een beetje.
Daarna kon ik weer kort zitten.
Tot de onrust opnieuw opliep.
Misschien was het lopen geen vreemd gedrag zonder reden. Misschien hielp het mij om spanning kwijt te raken.
Waarom zag niemand wat eraan voorafging?
Mijn ouders zagen mij rondjes om de stoel lopen.
Zij zagen niet wat er die dag op school was gebeurd.
Ze wisten niet welke uitleg ik had gemist, hoe vaak ik iets opnieuw moest proberen of hoeveel gesprekken ik maar gedeeltelijk had begrepen.
Dat wist ik zelf waarschijnlijk ook niet.
Het enige wat zichtbaar werd, was het gedrag aan tafel.
Daardoor wordt de oorzaak al snel gezocht in dat moment.
Hij kan niet wachten.
Hij is onrustig.
Hij luistert niet.
Hij moet gewoon blijven zitten.
Maar misschien lag de oorzaak niet alleen bij het wachten op mijn vader.
Misschien was dat wachten alleen het moment waarop ik niet langer genoeg afleiding had om de opgebouwde spanning tegen te houden.
Onrust hoeft niet direct te komen
Bij de touwen kwam de schaamte pas nadat ik zag dat de anderen doorgingen.
Aan tafel kwam de lichamelijke onrust mogelijk pas nadat de schooldag al voorbij was.
Dat laat voor mij zien dat een reactie niet altijd verschijnt op het moment waarop iets misgaat.
Soms gebeurt er eerst iets in de taalverwerking.
Iemand begrijpt een uitleg anders, mist een deel of moet heel hard werken om mee te kunnen komen.
Het zichtbare gedrag kan pas veel later ontstaan.
Wanneer het kind thuiskomt.
Tijdens het eten.
Bij het naar bed gaan.
Of op een moment waarop er even niets meer hoeft.
Het lijkt op ADHD
Rondjes om een stoel lopen, moeilijk kunnen wachten en niet stil kunnen zitten passen bij gedrag dat snel aan ADHD doet denken.
Misschien speelde dat bij mij ook mee. Dat sluit ik niet uit.
Toch wil ik niet te snel alleen naar het gedrag kijken.
Wanneer de onrust vooral sterker wordt na een schooldag, een gesprek of een andere situatie met veel taal, kan het zinvol zijn om ook te kijken naar wat daaraan voorafging.
Hoeveel moest iemand luisteren?
Hoeveel informatie moest worden vastgehouden?
Hoe vaak bleek achteraf dat iets anders was begrepen?
Hoeveel moeite kostte het om de hele dag mee te blijven doen?
Misschien geeft dat een ander beeld van de onrust.
Wat had mij kunnen helpen?
Waarschijnlijk had het niet geholpen wanneer iemand alleen had gezegd dat ik rustig moest blijven zitten.
Ik wist zelf ook dat ik hoorde te blijven zitten.
Misschien had kort bewegen juist geholpen om daarna weer rustiger aan tafel te kunnen zitten. Even naar buiten, iets pakken uit de keuken of een paar keer bewust mijn lichaam aanspannen en ontspannen.
Ook minder vragen en uitleg aan het einde van de dag hadden mogelijk verschil gemaakt.
Niet omdat ik niets meer wilde horen, maar omdat mijn hoofd al een hele dag bezig was geweest.
Mijn vraag aan jou
Herken je dat de onrust pas later zichtbaar wordt?
Bijvoorbeeld na school, na een gesprek of wanneer er eindelijk niets meer hoeft?
En merk je verschil wanneer je niet alleen kijkt naar het gedrag van dat moment, maar ook naar wat iemand eerder die dag aan taal en informatie heeft moeten verwerken?



