In het kort
Ik dacht dat er meer aan de hand was dan TOS. Via ADHD kwam ik uiteindelijk uit bij hoogbegaafdheid. Bij mijn onderzoek bij een specialist, met het Delphi-model en een vragenlijst, is geen IQ-test afgenomen. Volgens de specialist komen we er niet omheen dat ik hoogbegaafd ben. Ik herken me in alles wat het model beschrijft, maar blijf zelf twijfelen. Dit stuk is mijn verhaal en mijn zoektocht, geen onderzoek. Bronnen zet ik erbij waar ze iets aantonen.
“Hij is zo slim, maar hij krijgt het er gewoon niet uit.”
Met die zin begon ik een tijd geleden een post op LinkedIn over TOS en hoogbegaafdheid. Die zin doet pijn, omdat hij twee dingen tegelijk zegt: iemand is slim, en dat is niet te zien.
Deze week stuurde ik mijn antwoorden op voor een magazine over hoogbegaafdheid. En ik heb nu nog meer onduidelijkheden en vragen dan eerst.
Eén vraag blijft hangen. Hoe weet je dat je hoogbegaafd bent als er bij het onderzoek geen IQ-test is afgenomen? Bij mij was dat zo. Eerst vertel ik hoe ik hier kwam.
Waarom ik dacht dat er meer aan de hand was dan TOS
Ongeveer vier jaar geleden kwam TOS in ons gezin, door mijn oudste dochter. Daardoor kwam ik erachter dat ik zelf ook TOS heb.
Ik ging me verdiepen in TOS en in persoonlijke ontwikkeling. Hoe meer ik las, hoe sterker mijn gevoel werd dat er meer was. TOS verklaarde veel, maar niet alles. Ik ging op zoek naar andere stoornissen naast TOS.
Ik kwam uit bij ADHD, omdat mijn gedrag en mijn gevoel daar best mee overeenkwamen. Via de huisarts werd ik doorverwezen naar ADHD-Centraal. Zij hadden een wachtlijst van meer dan een jaar. Ik moest wachten.
Na een paar weken kwam ik op YouTube een video tegen, een soort podcast over beelddenken. Ik was nieuwsgierig. Ik vind neurodivergentie en stoornissen interessant, en beelddenken was nieuw voor me. Op een gegeven moment weken de sprekers af en begonnen ze over hoogbegaafdheid.
Hoogbegaafdheid kwam ik wel vaker tegen. Ik verdiepte me er nooit in. Ik dacht dat het alleen over slimme mensen ging. Mijn zelfbeeld was: ik ben niet slim, ik heb het laagste niveau gedaan: het IVBO (nu vmbo-lwoo). Dat was het individueel voorbereidend beroepsonderwijs, bedoeld voor leerlingen die veel hulp en individuele aandacht nodig hebben. Hoogbegaafdheid was voor vwo, wo, universiteit. Je moest een hoog IQ hebben. Dat was mijn beeld van toen. Het is een bekend beeld, maar een beeld is geen feit.
Een van de sprekers, een vrouw, vertelde wat meer over hoogbegaafdheid. Daardoor zag ik een heel ander beeld. Wat ze zei raakte me enorm. Later boekte ik bij haar een sessie, omdat zij hoogbegaafdheidsspecialist is.
Ik wil eerlijk zijn over twee dingen. Dat “laagste niveau” zit nog steeds ergens in me, en het is kwetsbaar om op te schrijven. En ik weet niet wat mijn schoolniveau over mijn IQ zegt. Schoolprestaties en intelligentie vallen niet altijd samen: Eos Wetenschap (2023) beschrijft dat dubbel bijzondere kinderen vaak onderpresteren. Dat zegt niets over mij. Het laat alleen zien dat die vraag open is.
Het onderzoek, en wat ik herkende
Mijn onderzoek bij de specialist was volledig. Zij gebruikte het Delphi-model Hoogbegaafdheid, en ik vulde ook een vragenlijst in. Er is geen IQ-test afgenomen. Haar conclusie was: “Daar komen we niet omheen, hè?” Volgens de specialist komen we er dus niet omheen dat ik hoogbegaafd ben. Ik neem haar serieus. Tegelijk wil ik weten hoe stevig die verklaring is.
Alles wat het model beschrijft herken ik bij mezelf: waar ik tegenaan loop, waar ik last van heb, en hoe ik mijn binnenwereld ervaar, zie en voel. Dat zijn kenmerken die in dit model met hoogbegaafdheid worden verbonden. Die herkenning is echt, en ik wil haar niet kleiner maken dan ze is. Maar herkenning voelt als bewijs en is dat niet automatisch. Forer (1949) liet zien dat mensen een algemeen geformuleerde beschrijving als treffend persoonlijk kunnen ervaren.
Zij is stelliger dan ik. Ik zeg niet “ik ben hoogbegaafd”, ik zeg “ik heb de kenmerken”. Dat is mijn eigen formulering en mijn eigen keuze, en het verschil zegt iets over mijn twijfel. Hoogbegaafdheid gaf me een soort voldoening, maar ook vreemde bijeffecten. Ik kon niet geloven of het waar is. Hoe is het mogelijk dat ik hoogbegaafd ben? Dat is mijn reden om het ADHD-onderzoek niet meer te laten doen. Ik zeg daarmee niet dat ik geen ADHD heb. Dat weet ik niet.
Toch een intelligentietest: mijn ervaring met de VIQT+
Er is nog iets wat bij dit verhaal hoort. In april 2026 deed ik mee aan het normeringsonderzoek van de VIQT+, de Voortgezette IQ Test Plus. Ik had me ruim een jaar daarvoor aangemeld. Na al dat wachten mocht ik eindelijk komen.
Volgens de ontwikkelaar, SCALIQ, wordt deze test speciaal ontwikkeld voor vermoedelijk hoogbegaafde jongeren en volwassenen. Er ligt minder nadruk op woordenschat en algemene kennis. De makers willen de test ook beter geschikt maken voor onder anderen mensen met TOS, ADHD, autisme, dyslexie en faalangst. Dat sprak mij aan. Misschien zou deze test meer inzicht geven in mijn mogelijkheden.
Ik kreeg niet meteen een uitslag. De normering loopt nog: er zijn gegevens van veel deelnemers nodig om de scores te kunnen interpreteren. Volgens de website van SCALIQ verwachten ze begin 2027 de normering af te ronden en terugkoppelingen te versturen. Op het moment dat ik dit schrijf, weet ik mijn uitslag dus nog niet.
Ik vond de test zwaar. We zaten met meerdere mensen in een lokaal en kregen een boekje met opdrachten. Er waren verschillende rondes en tussendoor kon je pauze nemen. Ik was steeds een van de laatsten die klaar was. Sommige anderen waren echt supersnel.
Dat deed iets met me. Ik ging mezelf met die anderen vergelijken. Daar was dat stemmetje weer: “Kijk, hier is het bewijs, sukkel. Je bent nog steeds dom.”
Dat klinkt hard. Zo hard is die stem soms ook. Ik had nog geen uitslag, maar in mijn hoofd werd het oordeel al uitgesproken. De snelheid van anderen was blijkbaar genoeg om die oude onzekerheid weer naar boven te halen. Het zit toch diep.
Hoeveel invloed dat op mijn antwoorden heeft gehad, weet ik niet. Ik weet wel dat ik ermee bezig was terwijl ik de opdrachten maakte.
En toen gebeurde er iets waar ik wel blij van werd. Ik vond een fout in de test.
Bij een opdracht met patronen klopte volgens mij iets niet aan een van de afbeeldingen. Ik bleef ernaar kijken. Dit moest toch een drukfout zijn? Ik ging ermee naar de begeleider. Die haalde er iemand anders bij. Ze bekeken het samen en bevestigden dat er inderdaad een fout in zat.
Er hadden voor mij al veel mensen meegedaan. Voor zover ik begreep, was deze fout nog niet opgemerkt. Dat vond ik toch bijzonder. Ik was vaak laat klaar en ondertussen zag ik wel iets wat in het testmateriaal niet klopte.
Is dat dan mijn HB-brein? Die gedachte kwam natuurlijk meteen op. Uit die ene ontdekking kan ik dat niet afleiden. Maar ik had wel iets gezien, ik had mijn twijfel uitgesproken en ik bleek gelijk te hebben. Dat mag ik toch ook meenemen als ik naar mezelf kijk?
De ervaring riep ook vragen op. Wat zie je van iemand als je vooral naar de antwoorden kijkt? Zie je ook hoe iemand tot een antwoord komt, waar die vastloopt of wat er ondertussen in zijn hoofd gebeurt?
Voor mij gaat hoogbegaafdheid over meer dan een IQ-score. Ik wil ook begrijpen hoe iemand denkt, dingen aanpakt en zijn binnenwereld ervaart. Daarom vind ik het belangrijk dat bij een persoonlijke beoordeling iemand meekijkt die verstand heeft van hoogbegaafdheid én van mogelijke taalproblemen. Wat ik bij deze groepsafname miste, was die individuele aandacht voor mijn denkproces en mijn onzekerheid.
Tegelijk deed ik mee aan de ontwikkeling en normering van een test. Dat had een ander doel dan een volledig persoonlijk onderzoek. Mijn ervaring maakt de test niet automatisch ongeschikt. Ik blijf wel benieuwd wat de uitslag straks laat zien, en hoeveel ik daarin van mezelf herken.
Wat is dat model eigenlijk?
Drie dingen wil ik uit elkaar houden. Een model kan ervaringen beschrijven. Een specialist kan het gebruiken bij een professionele beoordeling. En een instrument dat aantoonbaar onderscheidt, op vooraf vastgelegde criteria, is weer iets anders. Dat het eerste klopt, bewijst het derde niet.
Het Delphi-model Hoogbegaafdheid is beschreven door Maud van Thiel (ook: Kooijman-van Thiel) en Noks Nauta, in het project “Knowing Giftedness” (2006 tot 2008, boek in 2008). Een Nederlands fonds voor hoogbegaafdheid wilde een omschrijving vanuit hoogbegaafden zelf. De auteurs deden eerst literatuuronderzoek en vonden geen definitie die aan hun eisen voldeed. Daarna vroegen ze twintig experts, die zelf hoogbegaafd waren en met kinderen of volwassenen werkten, in vijf rondes naar de kern van hoogbegaafdheid. Die experts antwoordden zonder literatuur, op basis van ervaring en intuïtie. De naam verwijst naar deze Delphi-methode, een gestructureerde manier om expertconsensus te krijgen (Nasa e.a., 2021).
Het is een “existentieel” model: zes werkwoorden die voor iedereen gelden, met per werkwoord een kleur die bij hoogbegaafden zou passen. Zijn: autonoom. Denken: hoogintelligent. Voelen: rijkgeschakeerd. Willen: gedreven en nieuwsgierig. Doen: scheppingsgericht. Waarnemen: hoogsensitief. Het samenspel: snel, creatief, complex en intens.
Wat de auteurs zelf zeggen: het is een “ideaaltypische” beschrijving van een evenwichtige, goed ondersteunde hoogbegaafde, met veel mogelijke profielen, bewust positief en in gewone woorden. Het doel was zelfbeeld, begrip en een beter beeld naar buiten, niet in de eerste plaats diagnose. Ze melden zelf de kritiek dat het model op iedereen zou passen, en antwoorden dat hoogbegaafden alles “zeer” zijn.
Een gepubliceerde validatie als manier om bij een volwassene hoogbegaafdheid vast te stellen vond ik niet. Wel is er een vragenlijst op basis van het model, de Delphi-SI, onderzocht in masterscripties van de Rijksuniversiteit Groningen. Scripties zijn geen peer review. Bij de scriptie van Loosman vermeldt de repository dat scripties niet per se als academische bron geschikt zijn. Wat ik las:
Kooi (2025) gaf 96 studenten 11 stellingen uit het model. Groepen waren gebaseerd op eigen opgave of hoogbegaafdheid officieel was vastgesteld; er zijn geen nieuwe IQ-tests afgenomen. De groep met vastgestelde hoogbegaafdheid scoorde hoger. De schrijfster zegt dat de meeteigenschappen van de schaal nog niet uitgebreid zijn onderzocht.
Gerbens (2026) onderzocht 70 ouder-kindparen (kinderen van 8 tot 11). Van de 11 kenmerken bleven 5 over in één schaal. De betrouwbaarheid was samen acceptabel (.73), maar lager bij de kinderen (.66). Het onderzoek ging vooral over overeenstemming tussen ouder en kind. Het onderzocht niet of de lijst hoogbegaafdheid kan onderscheiden van ADHD of van gevolgen van onbegrip.
Loosman (2026) vond bij 73 kinderen dat 6 van de 11 items een zwakke schaal vormden. Van haar scriptie las ik alleen de samenvatting.
Dat zijn voorzichtige, vroege aanwijzingen, geen vastgestelde meetmethode.
Verschillende definities, verschillende doelen
Er is niet één definitie van hoogbegaafdheid, en de definities hebben niet allemaal hetzelfde doel. De SLO is breed en onderwijsgericht: tien procent van de leerlingen heeft kenmerken die kunnen duiden op hoogbegaafdheid, en een lagere IQ-score sluit het niet uit. Het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid laat meerdere perspectieven aan het woord. Eén bijdrage pleit voor een afbakening op IQ 130 of hoger, omdat dat objectief is en kansengelijkheid helpt, en zegt dat modellen als die van Renzulli geen diagnostisch instrument zijn. Renzulli noemt naast vermogen ook taakbetrokkenheid en creativiteit. Gagné telt de beste 10 procent in uitzonderlijke natuurlijke mogelijkheden op minstens één gebied. Dat gaat over mogelijkheden, niet over persoonlijkheidskenmerken, dus het is geen steun voor een kenmerkenmodel.
Een IQ van 130 is ongeveer 2,3 procent van de mensen (zelf uitgerekend). Het is een afspraak. Een score heeft een meetmarge, en het Nederlandse rapport van Burger-Veltmeijer e.a. (2018) stelt voor om bij 2e (twice-exceptional) naar het betrouwbaarheidsinterval te kijken. Problemen met leren, gedrag of ontwikkeling kunnen tot onderpresteren op de test leiden, waardoor het IQ wordt onderschat (zelfde rapport).
In onderzoek naar 2e wordt vaak 120 gebruikt. Beckmann en Minnaert (2018) schrijven dat 130 daar “vaak” wordt verlaagd naar 120 om rekening te houden met meetfout. Hun grens gold voor een samengestelde IQ-score, bijvoorbeeld een verbale of een totaalscore. Rizzo, Pinnelli en Minnaert (2025) schrijven dat er voor deze groep consensus over 120 is. Hun grens gold voor het totaal-IQ of voor een van twee samengestelde indexen (GAI of CCI). Een officiële regel vond ik niet. Wat hieruit niet volgt: dat iedereen met TOS vanaf 120 hoogbegaafd is, dat je er “tien punten bij mag tellen”, dat een losse hoge subtest hetzelfde is als een samengestelde score, of dat deze onderzoeksgrenzen mijn eigen hoogbegaafdheid vaststellen.
Mijn dochters laten zien hoe sterk de uitkomst van de gekozen criteria afhangt. Bij het TOS-onderzoek bleek hun IQ-score hoog: bij mijn tweede dochter boven 130, bij mijn oudste in de hoge 120. Twee zussen met een vergelijkbare achtergrond, aan weerszijden van een streep die zelf een afspraak is. Dat zegt iets over de criteria. Het zegt niets over mijn eigen classificatie.
TOS en IQ-tests: wat ik wel en niet vond
Hoe een taalstoornis op een IQ-test doorwerkt, is moeilijk te zeggen. Dit vond ik:
De WISC-V is een Wechsler-test voor kinderen. Volgens Pearson bestaat de GAI uit vijf subtests uit verbaal begrip, visueel-ruimtelijk en fluïde redeneren, en is hij minder afhankelijk van werkgeheugen en verwerkingssnelheid. Hij is dus niet taalvrij. De Nonverbal Index vermindert de eisen aan spreken.
Een meta-analyse (Gallinat & Spaulding, 2014; 131 studies) vond dat kinderen met SLI (een oudere term voor wat nu vaak DLD of TOS heet) gemiddeld 0,69 standaarddeviatie lager scoorden dan leeftijdsgenoten op niet-verbale cognitieve tests. Dat is een groepsgemiddelde. Het zegt niets over wat er bij één persoon speelt, en niet dat een lage score een verborgen hoger IQ bedekt.
CATALISE (Bishop e.a., 2017): voor de diagnose TOS is geen verschil tussen verbaal en niet-verbaal vermogen nodig. Taal kan selectief aangedaan zijn bij normale niet-verbale vermogens.
Een kleine Griekse studie (Sofologi e.a., 2025; 71 kleuters, oordelen van leerkrachten) vond dat taal- en spraakproblemen negatief samenhingen met beoordelingen van begaafdheidskenmerken. Dat zijn oordelen van leerkrachten, geen metingen, en het zegt niet dat de combinatie niet voorkomt.
Ik vond weinig onderzoek dat precies HB én TOS met duidelijke criteria onderzoekt. Wat dat voor mijn eigen situatie betekent, kan ik hieruit niet afleiden.
Wat dit voor mij betekent
Bij mijn onderzoek zat geen IQ-test, dus ik heb daaruit geen getal dat ik tegen een grens kan houden. Dat maakt de twee wegen niet even onzeker. Een IQ-uitslag is een meting met een meetmarge en, bij TOS, extra vraagtekens. Herkenning van kenmerken is voor zover ik kon vinden nog niet gevalideerd voor volwassenen. Het zijn verschillende soorten onzekerheid, voor dezelfde vraag.
Daarom zeg ik niet “ik ben hoogbegaafd”, maar “ik herken mij in de kenmerken die met hoogbegaafdheid worden verbonden”. Kort: ik heb de kenmerken. De SLO schrijft zelf dat kenmerken “kunnen duiden op” hoogbegaafdheid. De specialist trekt een stelligere conclusie. Beide mogen naast elkaar staan.
Mijn vragen en twijfels
Mijn hoofdvraag: welke eigenschappen horen bij mijn mogelijkheden, en welke hangen samen met hoe ik ben opgegroeid en behandeld? Ik zie vier mogelijkheden, en ik kies niet:
Hoogbegaafdheid verklaart een deel.
TOS plus ervaringen met onbegrip verklaren een deel.
Beide, en de wisselwerking tussen die twee.
Mijn persoonlijkheid en andere omstandigheden.
Of langdurig onbegrip een volledig Delphi-profiel kan veroorzaken, kan ik met geen bron onderbouwen of weerleggen. Dat blijft een open vraag. Bij dubbel bijzondere kinderen zijn faalangst, een laag zelfbeeld en sociaal isolement beschreven (Eos Wetenschap, 2023). Mijn existentiële vragen zijn voor mij belangrijk, maar ze zeggen niets over de oorzaak.
Bij ADHD heb ik het gevoel dat de beschrijvingen dicht bij elkaar liggen, zo dun dat ik de scheidslijn niet zie. Dat is mijn ervaring en mijn vraag. Webb en collega’s (2005) betogen dat kenmerken van begaafde mensen voor ADHD kunnen worden aangezien. Dat is een klinisch betoog. Rommelse e.a. (2017) onderzochten 2.221 kinderen van 10 tot 12 jaar, met een IQ-schatting uit twee subtests (Vocabulary en Block Design). Gemiddeld hing een hogere IQ-schatting samen met minder aandachtsproblemen, en aandachtsproblemen konden ook bij hoge intelligentie het functioneren op school belemmeren. Over volwassenen vond ik geen onderzoek waar ik iets uit durf af te leiden.
Wat bepaalt dan of je hoogbegaafd bent, als IQ niet telt? Wie bepaalt de lat: een getal, een panel van experts, de specialist, of jezelf?
TOS en HB samen
Ik hoor geluiden dat TOS en HB niet samen kunnen voorkomen. Mijn persoonlijke indruk is dat ik de combinatie vaker zie dan men denkt, bij buddy’s die ik begeleid en bij mensen die ik spreek. Ik denk dat ik het snel aanvoel bij anderen. Dat is anekdotisch en geen bewijs, en het is ook herkenning, dus een signaal en geen toets. In de Amerikaanse onderwijswet IDEA bestaat “speech or language impairment” als aparte categorie, maar dat zegt niets over deze combinatie.
Wat dit kan betekenen op school en werk
Mogelijkheden, geen regels voor iedereen, en geen diagnostisch advies.
Vraag hoe hoogbegaafdheid is vastgesteld: met een IQ-uitslag, een profiel, of beide, en wat niet is gemeten.
Wil je zekerheid over een IQ, vraag dan naar het betrouwbaarheidsinterval en de indexen, niet alleen het totaal.
Zoek iemand die zowel hoogbegaafdheid als TOS of dyslexie kent (Eos Wetenschap).
Beoordeel eerlijker: formatief, niet alleen op tijdgebonden eindtoetsen (Eos Wetenschap).
Voor mij werkt het om te luisteren naar de gedachte achter een kromme zin. Of dat voor jou past, hangt af van hoe taalbegrip bij jou werkt.
Wat nog onduidelijk is
Kan een kenmerkenprofiel hoogbegaafdheid bij volwassenen betrouwbaar scheiden van andere verklaringen? Niet gevonden.
Is het Delphi-model, of een vragenlijst erop, gevalideerd voor volwassenen? Niet gevonden.
Is 120 bij 2e een officiële norm of een onderzoeksafspraak? Ik vond alleen het tweede.
Hoe vaak komen HB en TOS samen voor? Niet gevonden.
Vragen voor jou
Is bij jou hoogbegaafdheid onderzocht, en hoe? Wat vond je ervan?
Had jij een beeld van hoogbegaafdheid dat je tegenhield om het bij jezelf te onderzoeken?
Zeg jij “ik ben” of “ik heb de kenmerken”? Waarom?
Wat zou voor jou genoeg zijn om het te geloven: een getal, een profiel, herkenning bij anderen?
Ken je TOS en hoogbegaafdheid samen, in jezelf of in een ander?
Reageer gerust, of stuur me een berichtje.
Mijn boek Mijn leven met TrOtS vind je op albertneef.nl.
Bronnen
Van Thiel, M., & Nauta, N. Delphi Model of Giftedness. Manuscript, jaartal niet vermeld. https://www.oya.nl/wp-content/uploads/2025/11/Delphi%20Model%20of%20Giftedness%20-%20Advanced%20Journal%20article.pdf
Kooi, M. (2025). Wat hoogbegaafde studenten écht nodig hebben. Masterscriptie RUG. https://gmwpublic.studenttheses.ub.rug.nl/4940/1/MasterthesisMarion-KooiS4407040.pdf
Gerbens, R. (2026). Vroegsignalering van hoogbegaafdheid: ouder- en kindbeoordeling op de Delphi-SI. Masterscriptie RUG. https://gmwpublic.studenttheses.ub.rug.nl/7032/1/RenskeGerbensS4108051Thesis-10.pdf
Loosman, L. (2026). De stem van het kind in (hoog)begaafdheidsscreening. Masterscriptie RUG. https://gmwpublic.studenttheses.ub.rug.nl/6806/
Nasa, P., e.a. (2021). Delphi methodology in healthcare research. World J. Methodology. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC8299905/
Forer, B. R. (1949). The fallacy of personal validation. J. Abnormal and Social Psychology, 44(1), 118-123. https://doi.org/10.1037/h0059240
SLO (2024). Definitie. https://www.slo.nl/thema/meer/begaafde-leerling/definitie/
Kenniscentrum Hoogbegaafdheid. Concepten van begaafdheid. https://kenniscentrumhb.nl/themas/concepten-van-begaafdheid/
Gagné, F. Building gifts into talents: Brief overview of the DMGT 2.0. https://australiangiftedsupport.com/ccmword/wp-content/uploads/2014/12/Gagne_DMGT_Model.pdf
Renzulli, J. S. (1978). What makes giftedness? Phi Delta Kappan, 60(3).
https://eric.ed.gov/?id=EJ190430
Nijhof, A. (2023). Hoogbegaafd en een ontwikkelingsstoornis. Eos Wetenschap. https://www.eoswetenschap.eu/themas/psyche-brein/hoogbegaafd-en-een-ontwikkelingsstoornis-geen-twee-dubbel-bijzondere-kinderen-zijn
Burger-Veltmeijer, A. E. J., Kroesbergen, E. H., Minnaert, A., & Hoogeveen, L. (2018). Passend onderwijs voor dubbel-bijzondere (hoog)begaafde leerlingen. NRO. https://pure.rug.nl/ws/portalfiles/portal/77152035/NRO_rapportage_def_040319.pdf
Beckmann, E., & Minnaert, A. (2018). Frontiers in Psychology, 9, 504. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2018.00504
Rizzo, L., Pinnelli, S., & Minnaert, A. (2025). Frontiers in Education, 10. https://doi.org/10.3389/feduc.2025.1696805
Pearson. WISC-V Interpretive Sample Report; WISC-V Research Report. https://www.pearsonclinical.com.au/files/950751465344403.pdf ; https://www.pearson.com/content/dam/one-dot-com/one-dot-com/global/Files/efficacy-and-research/reports/WISC-V-Research-Report-v5.pdf
Gallinat, E., & Spaulding, T. J. (2014). J. Speech, Language, and Hearing Research, 57, 1363-1382. https://doi.org/10.1044/2014_JSLHR-L-12-0363
Bishop, D. V. M., e.a. (2017). Phase 2 of CATALISE. J. Child Psychology and Psychiatry, 58(10), 1068-1080. https://doi.org/10.1111/jcpp.12721
Sofologi, M., e.a. (2025). Evaluating the pattern of relationships of speech and language deficits with executive functions, ADHD, and facets of giftedness in Greek preschool children. Behavioral Sciences, 15(2), 136. https://doi.org/10.3390/bs15020136
Webb, J. T. e.a. (2005). Misdiagnosis and dual diagnoses of gifted children and adults. Great Potential Press.
Rommelse, N., e.a. (2017). High intelligence and the risk of ADHD and other psychopathology. Br. J. Psychiatry, 211(6), 359-364. https://doi.org/10.1192/bjp.bp.116.184382
IDEA, 34 CFR 300.8(c). https://sites.ed.gov/idea/regs/b/a/300.8/c
Taalunie: ivbo. https://onderwijstermen.taalunie.org/term/ivbo/ ; CBS: lwoo. https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/begrippen/leerweg-ondersteunend-onderwijs--lwoo--
Albert Neef, eigen LinkedIn-posts over TOS en hoogbegaafdheid.


