Ik was een jaar of tien toen dit over mij werd geschreven. In een officieel rapport. Door mijn juf.
De volledige zin luidde: “Albert heeft meer problemen met taal dan je in eerste instantie denkt. Hij weet dat namelijk heel goed te camoufleren. Hij wil niet laten merken dat het moeilijk voor hem is. En dan vervalt Albert in stoer doen.”
Een paar jaar later schreef de logopediste: “Albert vindt het moeilijk om zijn gedachten onder woorden te brengen. Hij kan de juiste woorden niet vinden, de zinnen niet goed vormen en de juiste volgorde in zijn verhalen niet goed aanbrengen.”
En: “Hij is geneigd om te zeggen: laat maar.”
Ik las deze rapporten pas als volwassene terug. Tientallen jaren later.
Wat me het meest raakte was niet wat erin stond. Het was het besef dat die juffen het zagen. Ze beschreven het precies. En toch bleef ik decennialang zonder antwoord rondlopen met de vraag wat er mis was met mij.
Niet omdat ze het verkeerd deden. Maar omdat het systeem geen naam had voor wat ik had. TOS bestond toen officieel nog niet als diagnose. Wat ik had heette “spraakprobleem” en werd behandeld met logopedie in een kamertje, één uur per week.
Camoufleren leerde ik dus vroeg. Heel vroeg. En ik ben er heel goed in geworden.
Dit is een fragment uit mijn boek Mijn leven met TrOtS, dat dit jaar verschijnt. Een boek over opgroeien met TOS zonder het te weten. Over wat dat doet met je zelfbeeld, je werk, je gezin. En over wat er verandert als je het eindelijk weet.
De komende weken deel ik hier meer. Volg me als je dit wilt blijven lezen.


