In het kort
Mijn interne zinnen zijn vaak beter dan wat ik uitspreek. Dat gat houdt me bezig. Dit stuk haalt de begrippen innerlijke taal, innerlijke spraak en innerlijke stem uit elkaar. Het laat zien dat zelfs onderzoekers deze woorden niet hetzelfde gebruiken. En het vertelt waarom ik vind dat we eerst dezelfde taal moeten spreken.
Ik zit in een vergadering met een Engelssprekende collega. Het agendapunt hangt af van teamleden die op vakantie zijn. Ik luister aandachtig. In mijn hoofd maak ik mijn zin af: we parkeren dit tot na de zomervakantie. Hij klopt.
Dan is het mijn moment. Ik zeg:
“We can parked this until the summer, zeg maar.”
Het gaat niet soepel. Ik worstel om het woord zomervakantie te vinden. En dat “zeg maar” aan het eind? Dat had ik helemaal niet voorbereid.
Mijn interne versie was gewoon in orde. Wat eruit kwam, was dat niet. En precies dat gat is wat me interesseert.
Een vraag die bleef spoken
Op een vrijdag, mijn enige dag in de week waarop ik me volledig kan richten op mezelf en mijn onderneming, bleef één vraag door mijn hoofd gaan:
Heeft iedere TOS’er dat stemmetje in het hoofd dat helpt bij het voorbereiden van wat je wilt zeggen?
Bij mij zijn de interne dialogen vaak zoveel beter dan de woorden die ik uiteindelijk uitspreek. Zeker in het Engels. In mijn hoofd vorm ik vloeiende, kloppende zinnen. Maar zodra ik ze hardop moet zeggen, stokt het.
Drie woorden die door elkaar lopen
Toen ik me erin verdiepte, merkte ik dat ik zelf een term door elkaar gebruikte. Ik zei “innerlijke taal”, maar ik bedoelde het stemmetje. Dat is niet hetzelfde. Dit is mijn indeling:
Innerlijke taal is het breedste begrip. Het zijn brede mentale representaties van taal, inclusief beelden, concepten en abstracte ideeën. Het hoeft dus niet in woorden te zijn.
Innerlijke spraak is een specifiek deel daarvan: gedachten die expliciet in woorden zijn geformuleerd, alsof je tegen jezelf praat. Het is het stemmetje. Zelfgesprekken, zinnen die je in je hoofd herhaalt, dialogen die je alvast oefent.
Innerlijke stem is het woord dat veel mensen in gewone gesprekken gebruiken voor datzelfde stemmetje. In mijn indeling valt het dus onder innerlijke spraak. Het is het woord dat het dichtst bij de ervaring zit: je “hoort” iets in je hoofd.
Er is nog een vierde begrip, zelfspraak: de verbale instructies en gesprekken die je met jezelf voert, hardop of stil met subtiele lip- of mondbewegingen. Het ligt dicht bij innerlijke spraak, maar het kan ook hardop. Daarom overlappen de cirkels in mijn tekening, maar vallen ze niet samen.
Het verschil is geen detail. Wie “innerlijke taal” zegt, kan iets anders bedoelen dan wie “innerlijke stem” zegt. Dan praten we langs elkaar heen.
Zelfs onderzoekers spreken niet dezelfde taal
Dat bleek niet alleen mijn probleem.
In een bekend overzichtsartikel schrijven Alderson-Day en Fernyhough (2015) dat het onderzoek naar innerlijke spraak “diffuus en grotendeels ongeïntegreerd” is gebleven. Ze noemen een hele reeks namen voor ongeveer hetzelfde: verbaal denken, innerlijk spreken, stille zelfspraak, innerlijke monoloog en innerlijke dialoog. Hun eigen definitie is bewust eenvoudig: de ervaring van taal zonder hoorbare uitspraak. Maar ze zeggen er zelf bij dat die definitie “noodzakelijk simplistisch” is, omdat de ervaringen sterk verschillen. En het begrip wordt soms door elkaar gebruikt met “denken”.
Een recenter artikel in Trends in Cognitive Sciences (2023) noemt in de samenvatting nog meer termen, waaronder innerlijke stem, interne vertelling, endofasie en autocommunicatie. Ik kon alleen de samenvatting lezen.
In het Nederlandse overzichtsartikel van Gerrits, De Bree en collega’s (2025) wordt “innerlijke taal” omschreven als stille zelfspraak of het gebruik van woorden tijdens het denkproces. Dat is smaller dan mijn eigen indeling, waarin innerlijke taal ook beelden en concepten omvat.
Let op wat ik hier wel en niet zeg. Ik heb een paar bronnen gelezen, soms alleen de samenvatting. Dat is geen compleet beeld van het hele vakgebied. Er zijn ook gedeelde uitgangspunten, zoals het idee dat innerlijke spraak uit gesproken taal ontstaat. Maar de onderzoekers schrijven zelf openlijk dat hun woorden niet overal hetzelfde betekenen.
Mijn conclusie: wie leest, kijkt eerst welke definitie iemand gebruikt.
Dezelfde taal spreken
Dit raakt iets wat ik steeds zeg: we moeten dezelfde taal spreken. Anders wordt het erg lastig om samen iets te bouwen.
Op mijn werk zouden we eigenlijk met een begrippenlijst moeten werken. Iedereen heeft een eigen definitie van een term of woord, en dan praten we langs elkaar heen. Het blijkt dus niet alleen in de wetenschap te gebeuren.
Een begrippenlijst klinkt saai. Maar het is een afspraak: dit woord betekent hier dit. Voor een onderwerp als innerlijke taal werkt dat net zo. Eerst afspreken wat we bedoelen, dan pas praten over wat het doet.
Wat onderzoek zegt over innerlijke spraak bij TOS, en wat niet
Onderzoekers zien innerlijke spraak als zelfsturing: een hulpmiddel om taakregels te begrijpen en handelingen te ordenen. Het wordt daarom vaak gekoppeld aan executieve functies, zoals plannen en jezelf bijsturen. Vygotsky stelde dat innerlijke spraak ontstaat uit gesproken taal. Als mondelinge taal anders ontwikkelt, ligt het voor de hand dat ook de innerlijke spraak anders kan lopen. Zo’n verband wordt in de literatuur voorgesteld, ook voor kinderen met DLD (Baron & Arbel, 2022).
Maar nu de nuance. In het artikel van Gerrits en collega’s staat dat er momenteel onvoldoende evidentie is dat training gericht op innerlijke taal effectief is bij kinderen met TOS. Het idee is aannemelijk en wordt onderzocht, maar het is niet bewezen dat dit de oorzaak is, en niet bewezen dat je het kunt trainen.
In mijn oorspronkelijke post schreef ik dat mensen met TOS moeite kunnen hebben met innerlijke spraak. Dat woord “kunnen” is bewust. Het is een mogelijkheid, geen uitspraak over iedereen.
Wat ik ervan merk
Mijn eigen ervaring is bijna het omgekeerde van wat je zou verwachten. Mijn innerlijke dialoog werkt vaak prima. De zinnen zijn er, vloeiend, soms perfect. Wat misgaat, gebeurt pas wanneer ik ze hardop moet zeggen.
Wat dit betekent in school
Een paar praktische gevolgen, zonder te beweren dat het bij iedereen zo werkt:
“Denk even rustig na” veronderstelt dat iemand zichzelf in woorden kan voorzeggen. Dat is niet voor iedereen vanzelfsprekend.
Een kind dat in zijn hoofd het antwoord heeft en het niet kan uitspreken, wordt gemakkelijk onderschat. Wat je hoort, is niet altijd wat er in zit.
Wat vaak helpt, is taal buiten het hoofd zetten: stappen op papier, een planbord, een visueel stappenplan, ondersteund tekenen. In mijn Praatplaat noem ik dit het semantisch anker: taal tastbaar maken.
Geef de tijd om een zin voor te bereiden voordat je een beurt geeft.
Een vraag voor jou
Hoor jij een innerlijke stem, of denk je vooral in beelden of gevoel? En welk van de drie woorden gebruik jij zelf?
Reageer gerust, of stuur me een berichtje. Jouw ervaringen zijn precies wat dit onderwerp verder helpt.
Mijn boek Mijn leven met TrOtS vind je op albertneef.nl. Een Engelse editie, My UnbriDLeD Life, komt in 2027.
Bronnen
Alderson-Day, B., & Fernyhough, C. (2015). Inner speech: Development, cognitive functions, phenomenology, and neurobiology. Psychological Bulletin. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC4538954/ (samenvatting en inleiding gelezen)
Inner speech as language process and cognitive tool (2023). Trends in Cognitive Sciences. https://www.cell.com/trends/cognitive-sciences/fulltext/S1364-6613(23)00210-3 (alleen samenvatting gezien)
Gerrits, Kerkhoff, Zwitserlood, Boonstra & De Bree (2025). TOS en innerlijke taal: stand van de wetenschap en implicaties voor de praktijk. Stem-, Spraak- en Taalpathologie, 30, 44-62. https://doi.org/10.21827/32.8310/2025-44 (alleen samenvatting gelezen)
Baron, L. S., & Arbel, Y. (2022). Inner Speech and Executive Function in Children With Developmental Language Disorder. Perspectives of the ASHA Special Interest Groups, 7(6), 1645-1659. https://doi.org/10.1044/2022_persp-22-00042



Dat je in je hoofd alles goed kan verwoorden, maar dat het niet wil zeggen dat het “ er goed uitkomt” herken ik.
Ik zeg altijd: mijn hoofd is een èèn richting weg. Alles komt er goed in, maar er uit, is een totaal ander zaak.