Onze boerderij lag een kilometer van de bewoonde wereld in-the-middle-of-nowhere, omringd door een brede sloot en eindeloze, geelgevlekte velden. [...] Mijn moeder dacht dat mijn spraakproblemen voortkwamen uit deze eenzaamheid. Ze wilde verhuizen naar een plek waar ik meer met anderen in contact kwam. [..] Onze boerderij, nog niet volledig gerenoveerd en met de geur van kapotgeslagen puin, vers hout en verf, werd te koop gezet.
Mijn ouders vonden een vrijstaand huisje in het hart van Drachten, met een grote tuin met nieuwe mogelijkheden. Het was anders, en ze hoopten dat deze verandering goed voor mij zou zijn. Alleen ik bleef op mijn oude school. Elke ochtend stopte er een klein grijs autootje voor ons nieuwe huis. De wagen van een juf die bij ons in de buurt woonde. Zij reed mij naar Opsterland door het grote bosgebied van Beetsterzwaag. Dit bleef zo totdat ik naar de volgende groep ging. De afstand maakte het onmogelijk om op deze school te blijven, dus ging ik naar een school dichterbij. Op deze nieuwe school konden ze mijn gefriezefrazel ook niet volgen. De juf keek me vaak niet-begrijpend aan. Ik haar ook, want ik had moeite met de instructies die zij gaf. Ze zuchtte soms gefrustreerd, omdat ze de middelen niet had om mij te ondersteunen. Ze adviseerde mijn ouders een gespecialiseerde school die dat wel kon.
Mijn nieuwe school was begin jaren zeventig opgericht voor slechthorende en dove kinderen. Later kwamen hier ook kinderen bij met spraakproblemen die niet het gevolg waren van slechthorendheid. [...]
De lokalen waren zo ingericht dat we geen last hadden van galm. Veel kinderen droegen hoorapparaten. Dit had ik nooit eerder gezien en ik observeerde hun oren aandachtig. De leraren gebruikten een versterker, gebarentaal en spraken ook langzamer. Al die hand- en vingerbewegingen waren voor mij een nieuw fenomeen, waar ik niets van begreep.
[...]
Ik ging met plezier naar deze school. Vanaf groep 4 bleef ik bij dezelfde jongens en meisjes in de klas. Wel ging er zo nu en dan iemand weg als de ondersteuning niet meer nodig was, of kwam er iemand bij die op een ‘gewone school’ was vastgelopen.
Uit de rapporten bleek dat ik hier niet voor niets zat. “Albert heeft meer problemen met taal dan je in eerste instantie denkt. Hij weet dat namelijk heel goed te camoufleren. Hij wil niet laten merken dat het moeilijk voor hem is. En dan vervalt Albert in stoer doen.”
Camoufleren. Deze strategie zat er dus al vroeg in. Op andere kinderen kwam ik over als een jongen die alles durfde, maar dat was vaak schijn. Ik was in de klas onrustig. Met mijn impulsiviteit verstoorde ik in het kringgesprek andermans verhaal. “Albert is eigenlijk een heel onzeker jongetje,” rapporteerde dezelfde juf eind groep 4, “maar uit dit door zeer nadrukkelijk aanwezig te zijn. Hij moet elke keer zijn verlegenheid overwinnen. Albert vertelt graag en zijn verhalen zijn erg lang. Het is niet altijd goed te volgen omdat hij de zinnen aaneen rijgt. En hij spreekt ook vrij snel.”
Eens in de week hadden we een uur logopedie in een kantoortje waar geen zonlicht binnenkwam, verstopt in een hoek van het gebouw. De juffrouw was allesbehalve inspirerend. Je hebt het of je hebt het niet en zij had het gewoon niet. Dus vond ik het nazeggen en de oefeningen met alle herhalingen buitengewoon saai. Het matte me echt af.
Van de logopediste kregen we een apart rapport. “Albert vindt het moeilijk om zijn gedachten onder woorden te brengen,” schreef zij. “Hij kan de juiste woorden niet vinden, de zinnen niet goed vormen en kan de juiste volgorde in zijn verhalen niet goed aanbrengen. Zijn verhalen maken dan een chaotische indruk.” Ook de ontvanger in het brein stond niet scherp: “Albert heeft moeite met begrijpen van wat er tegen hem gezegd wordt.” Dit beeld bleef hetzelfde. “Als hij iets goed wil vertellen, dan heeft hij veel bedenktijd nodig. Hij gebruikt ook wel eens de verkeerde woorden, omdat het juiste woord hem niet te binnen wil schieten.”
In de klas gold dit ook. “Albert blijft het moeilijk vinden om een verhaal chronologisch te vertellen. Punten en komma’s komen in zijn verhaal niet voor. Bovendien praat hij dan ook erg binnensmonds en niet gelaatgericht. De zinnen lopen in elkaar over en hij komt regelmatig tegen dat hij niet op een woord kan komen.”
Begrijpelijkerwijs leidde dit tot frustratie. “Hij realiseert zich dat wel en vindt het heel vervelend en is geneigd om te zeggen: ‘Laat maar!’.” Dit was in groep 5. Daartegenover stond ook de wil om het er niet bij te laten: “Het is wel knap dat hij ondanks zijn problemen toch altijd wel weer wil vertellen.”


