Ik begon te merken hoe mijn leeftijdsgenoten me soms met opgetrokken wenkbrauwen aankeken wanneer ik sprak. Tijdens gesprekken voelde ik hun blikken. Ze waren verder ontwikkeld en volgden vaak een hogere opleiding dan ik. De jongens uit mijn voetbalteam spraken me aan op ‘domme’ opmerkingen, en hun woorden sneden dieper dan ik wilde toegeven.
Toen het internet zijn intrede deed en een ware hype werd, wilde ik net als iedereen meedoen. Ik installeerde ICQ Messenger op onze oude computer – het inbelgeluid van het modem klinkt nog steeds in mijn hoofd. Het programma bood de mogelijkheid om met vrienden en onbekenden te ‘chatten’, iets wat me enorm fascineerde. Zonder erbij stil te staan hoe mijn grammatica overkwam, nodigde ik iedereen die ik kende uit – ook de jongens en meisjes uit mijn voetbalteam.
Op een druilerige woensdagavond tijdens de training, de lucht rook naar nat gras en de schijnwerpers wierpen lange schaduwen over het veld, kwam een van die jongens naar me toe. “Wat ben jij dom op ICQ!” riep hij. Ik begreep op dat moment niet wat hij bedoelde, maar wel dat hij het nodig vond om het hele team te laten weten hoe dom ik was. Ik zei niets en probeerde mijn schaamte met een glimlach te verbloemen.
[...]
Ik voelde me nooit op mijn gemak als ik met iemand anders uit de groep alleen was. Alleen al het idee om met één van die vrienden af te spreken, gaf me een ongemakkelijk gevoel. Ik zorgde ervoor dat er altijd een derde bij was. Dan was er tenminste gespreksstof; zonder die derde persoon droogde het gesprek op. Ik was bang voor die ene blik, die subtiele frons die zei: “Ben je achterlijk of zo?” In mijn leven had ik vaker zulke blikken gekregen, die ik kon interpreteren als: “Ben je dom?” of “Wat je nu vertelt, begrijp ik niet.” Ik vond dat erg. Maar minstens zo erg was het uitblijven van reactie. Wanneer ik iets vertelde en er niet op werd gereageerd, zelfs niet met een blik, kreeg ik geen bevestiging of de ander me had begrepen. Dat maakte me onzeker en niet gehoord.
En toch, als er dan iemand op me afkwam – een meisje bijvoorbeeld – dan kon ik daar van genieten, mits ik niet te veel hoefde te praten. Maar zodra ik moest communiceren, sloeg de onzekerheid toe. Als er een blondine op me afkwam die in mijn ogen ‘te hoog gegrepen’ was, sloeg de paniek toe. Dan kwam ik niet meer uit mijn woorden. Dan moest ik me zo concentreren op wat ik wilde zeggen, op hoe ik het wilde zeggen, dat het spontaan spreken onmogelijk werd. En deed ik dat niet, dan kwam er een wirwar aan woorden uit, onsamenhangend, te snel, te zacht – taal waar niemand op zat te wachten.


