In de vorige post schreef ik dat een woord bekend kan zijn, terwijl de betekenis ervan tijdens een opdracht toch niet volledig beschikbaar is.
Bij de touwen ging het mogelijk om woorden als opnieuw, zo vaak mogelijk en binnen de tijd.
Ik kan die woorden gehoord hebben. Toch zat de volgende klim niet in de opdracht die in mijn hoofd was ontstaan.
Voor mij eindigde de opdracht toen mijn voeten de groene mat raakten.
Mijn opdracht had een duidelijk einde
Ik klom in het touw en ging steeds verder omhoog. De eerste meters gingen goed. Daarna werd het zwaarder.
Ik wilde niet laten zien dat ik moeite had en ging door. Uiteindelijk kon ik met mijn hand het houten plafond aanraken.
“Yes”, dacht ik.
Daarna liet ik mezelf rustig zakken. Mijn voeten kwamen op de groene mat terecht. Ik liet het touw los en liep trots terug naar het bankje.
Voor mij was er niets vreemds aan wat ik deed.
Ik had de opdracht uitgevoerd.
Pas op het bankje zag ik dat de anderen nog bezig waren. Een jongen kwam naar beneden, raakte de mat en sprong direct weer het touw in.
Hij deed iets wat in mijn hoofd niet bestond.
De volgende klim was er nog niet
Om de echte opdracht te begrijpen, moest ik tijdens de uitleg al een hele reeks voor me zien.
Ik moest omhoogklimmen, het plafond aanraken en weer afdalen. Zodra ik beneden was, moest ik opnieuw beginnen. Dat moest ik blijven herhalen en ook nog zo snel mogelijk.
De eerste klim was dus niet de opdracht.
De eerste klim was alleen het begin.
In mijn hoofd zag ik dat anders. Mijn beeld stopte zodra ik weer beneden stond.
Misschien hoorde ik dat ik opnieuw moest beginnen. Alleen werd dat woord geen volgende handeling. Er ontstond geen nieuw beeld waarin ik beneden kwam, het touw weer vastpakte en opnieuw omhoogging.
Dat vervolg was er niet.
De mat betekende voor mij: klaar
Nu ik erop terugkijk, denk ik dat de groene mat ook een rol speelde.
Ik begon op de mat. Ik klom omhoog. Daarna kwam ik weer terug op dezelfde plek.
Dat voelde als een rondje dat af was.
Beginnen op de mat.
Het plafond aanraken.
Terugkomen op de mat.
Klaar.
Misschien gebruikte mijn hoofd wat ik zag om de mondelinge uitleg aan te vullen. De docent wees naar het touw en het plafond. Ik zag de route van beneden naar boven en weer terug.
Daar kon ik een duidelijke opdracht van maken.
Alleen betekende terugkomen op de mat voor de docent iets anders. Voor hem was dat het moment waarop de volgende klim begon.
We keken naar dezelfde mat, maar gaven er een ander eindpunt aan.
Je moet het vervolg al kunnen zien
Om iets opnieuw te doen, moet de eerste handeling in je hoofd nog niet echt afgelopen zijn.
Je moet weten dat beneden komen geen einde is, maar een overgang naar de volgende klim.
Dat vraagt behoorlijk veel.
Je moet de uitleg vasthouden terwijl je klimt. Je moet onthouden dat je na het plafond weer naar beneden gaat. Beneden moet je weten dat je direct opnieuw begint. Ook moet je begrijpen dat je pas stopt wanneer de tijd voorbij is.
Tijdens het klimmen was ik daar helemaal niet mee bezig.
Mijn doel was het plafond.
Hoe hoger ik kwam, hoe zwaarder het werd. Ik wilde niet opgeven. Ik wilde laten zien dat ik het kon.
Toen ik het plafond raakte, had ik mijn doel behaald.
Het vervolg kwam niet meer in mij op.
Was dat impulsief gedrag?
Van buitenaf kan mijn gedrag vreemd zijn geweest.
De docent had uitleg gegeven. De andere jongens begonnen opnieuw. Ik liep terug naar het bankje.
Misschien leek het alsof ik te snel besloot dat ik klaar was. Alsof ik niet goed nadacht over wat ik daarna moest doen.
Alleen voelde het voor mij niet als een snelle beslissing.
Ik koos niet bewust om te stoppen. Ik volgde gewoon de opdracht zoals die in mijn hoofd zat.
Er was geen tweede klim om over na te denken.
Pas toen ik de andere jongen opnieuw omhoog zag gaan, verscheen dat ontbrekende deel. Op dat moment begreep ik meteen dat ik de opdracht verkeerd had uitgevoerd.
Mijn hoofd kon het dus wel begrijpen.
Alleen had ik eerst het beeld van iemand anders nodig.
De uitleg was voorbij, maar de uitvoering moest nog beginnen
Daar zit mogelijk een probleem bij gesproken uitleg.
De woorden worden uitgesproken voordat je begint. Daarna verdwijnen ze.
Tijdens de uitvoering moet je die woorden zelf vasthouden en omzetten naar handelingen. Bij de touwen duurde dat ook nog een tijd. Ik moest eerst helemaal omhoog en daarna weer naar beneden voordat het woord opnieuw belangrijk werd.
Misschien was dat woord tegen die tijd al verdwenen.
De touwen waren er nog. Het plafond was er nog. De mat lag onder mijn voeten.
De woorden van de docent niet.
Mijn hoofd werkte verder met wat er nog wel beschikbaar was.
Een vraag had het zichtbaar kunnen maken
Wanneer de docent na zijn uitleg had gevraagd of ik het begreep, had ik waarschijnlijk ja gezegd.
Mijn opdracht was duidelijk.
Een andere vraag had misschien meer laten zien:
“Wat doe je wanneer je weer beneden bent?”
Dan had ik waarschijnlijk gezegd:
“Dan ga ik terug naar het bankje.”
Op dat moment was zichtbaar geworden dat mijn opdracht te vroeg eindigde.
Niet omdat ik weigerde om verder te gaan. Niet omdat ik geen inzet had. Mijn eindpunt lag gewoon op een andere plek.
Wat ik nu wil begrijpen
Ik vraag mij af of dit vaker gebeurt bij mensen met TOS.
Niet alleen dat een losse stap wordt gemist, maar dat daardoor ook het vervolg niet in het hoofd ontstaat.
Wanneer je de volgende stap niet hebt verwerkt, kun je hem ook niet alvast voor je zien. Je kunt er niet naartoe werken en je kunt jezelf er ook niet aan herinneren.
Voor de buitenwereld lijkt het dan alsof je niet vooruitdenkt.
Vanbinnen bestaat dat stuk van de toekomst misschien nog niet.
Bij mij bestond de volgende klim pas toen ik een andere jongen opnieuw het touw in zag springen.
Toen was het beeld meteen duidelijk.
Alleen was ik toen al te laat.
Mijn vraag aan jou
Herken je dat een opdracht voor jou, je kind, leerling of cliënt al klaar voelde, terwijl de ander verwachtte dat je nog verderging?
Waar lag het eindpunt in het hoofd?
En wat maakte uiteindelijk zichtbaar dat de opdracht daar nog niet stopte?



